3. Een gezaghebbende regering geworteld in het volksorganisme

De theoreticus van De Waag wat betreft de democratie en staatsinrichting was zonder twijfel Baltus Wigersma. Hij schreef het leeuwendeel van de theoretische verhandelingen. Collega-filosoof Tobie Goedewaagen, die zich in 1939 bij de redactie voegde, hield zich, zoals hij tijdens de bezetting ook zou doen, vooral bezig met de kunsten en de ‘volksopvoeding’. Goedewaagen beschouwde opvoeding en voorlichting als primaire doelstellingen in de politiek.[1] Anderen schreven incidenteel artikelen over de staatsinrichting, maar Wigersma daarentegen heeft gedurende de drie eerste jaargangen verschillende series met artikelen over de (nationale of ware) democratie geschreven.

3.1 De volkswil en de staat als organisme

Volgens Wigersma is er aan de democratie een tegenstrijdigheid verbonden. Aan de ene kan kunnen we met onze vrije wil uitmaken hoe we worden geregeerd en zijn wij dus ‘vrije subjecten’, aan de andere kant zijn wij ook degene die geregeerd worden en aldus het ‘lijdend voorwerp’ van de regeerders. Willen wij ons als vrije burgers onderwerpen aan deze macht dan zal de regering ook moet laten zien dat haar wil die van het volk is. Of te wel, de geest van het volk moet zich uiten in de daden van zijn regering. [2]

Die wil van het volk van het volk wordt echter niet automatisch bepaald door de wil van een kwantitatieve meerderheid (de helft plus één). De wil van een volk is namelijk niet de optelling van de ‘willen’ van de mensen mensen, maar ‘resulteert uit een doorlopend proces van strijd der tegengestelde belangen en begeerten van personen’. Verschillen tussen mensen die noodzakelijk zijn om tot een hogere ontwikkeling te komen. [3] Om tot eenheid van het volk te komen is er een samenwerking tussen de leiders en geleiden te komen. Tussen de mensen die zich naar kwaliteit onderscheiden en de menigte. Een menigte die samen, inclusief de ministers en kamerleden, het ‘volksorganisme’ vormen. Waarbij het gevoel van de menigte en het inzicht van de leiders elkaar aanvullen, zij staan in wisselwerking met elkaar. Die regering zal dan ook altijd de instemming van het volk moeten hebben.[4] Uiteindelijk zou zelfs hele westerse samenleving zich ontwikkelen als een organisme, waarin de naast ‘elkander levende en veelal tegen elkaar gerichte staten’ samen zullen werken aan een gemeenschappelijk doel: de verdediging en voortzetting van de westerse cultuur.[5]

De eenheid van de volk met haar verscheidene organen, diende een gemeenschappelijk doel: het welzijn van het Vaderland. Een gemeenschappelijke kracht die niet alleen positief maar altijd meteen ook negatief is. De positieve kracht heeft deze antikracht nodig om verslapping tegen te gaan. De eenheid van het volk zou leiden tot democratie. De Waag was absoluut niet te spreken over een antitotalitaire beweging als ‘Eenheid door Democratie’ (EDD) die het andersom formuleerden. EDD met haar wortels in de partijdemocratie had slechts een negatief doel, namelijk het tegengaan van fascisme. Maar het volk wil een positieve beweging.[6]

3.2 Besluitvorming en staatsinrichting

De Waag wilde af van een democratie gebaseerd op partijen. Het was volgens de redacteurs van het blad de ‘partijpolitieke heerschzucht die burgers gescheiden houdt en de Nederlanders tot elkaar vijanden opvoedt’. In de democratie van de waag moesten de ‘heterogene meeningen’ van de bevolking in een ‘gemeenschappelijke wil’ worden samengebracht om nationale eenheid in der daad te verwezenlijken.[7] Nederland moest omgevormd worden tot een parlementaire naar een nationale democratie. Alle mensen zouden moesten samenwerken, hun partijpolitieke belangen laten varen, om te komen tot ‘een krachtige nationaal-democratisch georganiseerde beweging, gericht op de hogere ontwikkeling van het door den arbeid van ons voorgeslacht gewordene staatsbestel.[8] Wigersma neemt hier een zeer dubbele houding in, aan de ene kant gelooft hij duidelijk in ‘onvermijdelijke ontwikkelingen’ het voortvloeien uit het gewordene staatsbestel. De ideeën moeten in volk zelf groeien, zoals ook het huidige staatsbestel gegroeid is. ‘Het moet in het volk tot leven komen, opdat zij zich als het leven van ons volk kan ontwikkelen. Het had zelfs helemaal geen zin om naar het praktische middel om het doel te bereiken, want wanneer ‘wij bereid zijn met doel niet alleen met hart en ziel, maar met gevoel en begrip van onze traditie na te streven, zal blijken dat het weldoordachte doel het middel zelf inhoud. [9] Volgens Professor J. Hessing, die de Bollandleerstoel in Leiden bezat, was dit stelsel nooit helemaal afgerond. Dat de ‘noodzakelijke’ vereniging van autoritair gezag en de volkssoevereiniteit is het probleem dat de gehele geschiedenis tot in eeuwigheid doen blijven gelden. De verhouding tussen volk en regering is nooit definitief op te lossen. Het is altijd een tijdelijke oplossing gelegen liggen aan ‘billijkheid van de verhoudingen van het moment.[10]

Toch maakte Wigersma aan de andere kant zeer gedetailleerde ‘schetsen’ over hoe die maatschappij eruit zou moeten gaan zien, schetsen die overeenkomen met wat hij al in zijn eerdere boeken had beschreven, er moest een totale verandering van het systeem gerealiseerd worden. De redactie van De Waag achtte het voor het voortbestaan van de Nederlandse natie namelijk noodzakelijk dat er een ‘gezaghebbende’ regering aangesteld zou worden. Een regering die werd samengesteld uit de beste mannen van Nederland, die moest zorgen vooreen bestendig ontwikkelingsproces van het land in ‘positiechristelijke richting’. Het land diende ook wel een volksvertegenwoordiging te hebben, die als vertegenwoordiger van de ‘menigte’, moest samenwerken met de regering, in plaats van voorschrijven wat de regering doet. Opbouwende kritiek leveren en de regering adviseren.[11] Maar de wetgevende en de uitvoerende macht kwam te liggen bij de regering. In het bijzonder bij de minister-president die de verantwoordelijkheid voor het beleid zou moeten dragen. Hij moest de representant van de ‘staatseenheid’ zijn. De rest van de regering en het overheidsapparaat moest daaronder in een hiërarchische structuur verdeeld zijn. De overige ministers moesten op advies van de minister-president benoemd worden en ook alleen aan hem verantwoordelijkheid af te leggen. De hoogste ambtenaren aan de ministers, etc.[12]

3.3 De menigte en de volksvertegenwoordiging

De menigte of het volk kan in wezen twee dingen doen ‘instemmen of zijn ontstemming over de regering uiten’. Ja of nee zeggen dus. Een verkiezing zou dan ook een referendum moeten zijn, waarin vertrouwen of wantrouwen geuit kan worden. Wigersma erkende daarbij natuurlijk dat de regering nooit honderd procent instemming zou krijgen. Volgens Wigersma moest een regering dan ook eens goed nadenken als het vertrouwen onder de zestig procent daalde. Regelmatig dient een regering zich dan ook in geheime stemmingen, achteraf, te vergewissen van de ruime volksteun. [13]

In het systeem van Wigersma diende volksvertegenwoordiging en regering samen te werken. De volksvertegenwoordiging, bepaald niet wat er gebeurd, zij is de vertegenwoordiging van de volkswil. Zij dient de regering positief te bekritiseren. Maar zal nooit verantwoording dragen. Die kan alleen berusten bij een persoon de minister president. Die verantwoording aan het staatshoofd schuldig is.[14]

De bepaling van de samenstelling van de volksvertegenwoordiging zou totaal veranderen, weliswaar zouden er nog steeds verkiezingen gehouden worden, maar de kandidaatstelling zou niet meer vrij zijn. De verdeeldheid van het partijstelsel moest volledig tot de verleden tijd behoren. Want het partijstelsel en de evenredige vertegenwoordiging hebben ‘het politieke volksorganisme gedood’, doordat de samenleving is opgedeeld in vrijwel vaste percentages over de verschillende partijen. Die luisteren naar de partijleiders en de propagandabladen van de eigen partij lezen.[15] Kortom de verzuiling. De vraag was dan ook ‘hoe kunnen wij bij ons volk weer een frissche belangstelling weken voor den gang der staatszaken’ en ‘hoe kunnen wij (…) weer die mannen in ons parlement kiezen, die in het levende volksorganisme verankerd zijn als de werkelijke leiders van het volk?’ [16]

Ten eerste moest de macht om kandidaten te stellen aan de partijen ontnomen worden. De kandidaatstelling moest in handen komen van bestaande ‘lichamen’ (hij gebruikte met op zet niet corporaties, want de corporatieve staat had volgens Wigersma weer allerlei andere narigheden) zoals de Raad van State en de Senaten van de Universiteiten en nieuwe gemeentelijke en provinciale arbeidsraden en een raad waarin de kerken vertegenwoordigd zouden worden. Deze zouden uit hun midden een paar honderd bekwame mannen moeten voordragen, waaruit de koningin honderd kandidaten zou kiezen. Deze kandidatenlijst zou worden voorgelegd aan de bevolking, die er vervolgens ja of nee op kon zeggen.[17]

Lees verder: Hoofdstuk 4. De parlementair-democratische praktijk het volksorganisme


[1] Berkel, Benien van, ‘Tobie Goedewaagen, een leven als Faust’, in: N.F.J. Barnouw e.a. ed., Oorlogsdocumentatie ’40-’45. Vierde jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Zutphen 1993) 9-36 aldaar 16.

[2] Wigersma, Wat is Democratisch, I, Twee criteria der Democratie, De Waag, 23 april 1938.

[3] Wigersma, Wat is Democratisch, I, Twee criteria der Democratie, De Waag, 23 april 1938.

[4] Wigersma, ‘Wat is Democratisch? II Regeering en geregeerden’, De Waag, 30 april 1938.

[5] ‘Wigersma, ‘De nieuwe politiek’, De Waag 2 februari 1939.

[6] ‘Democratie door Eenheid in plaats van eenheid door Democratie’, De Waag, 6 maart 1937.

[7] ‘Nederland als natie’, De Waag, 16 januari 1937

[8] Wigersma, ‘Nationale democratie. Eenheid aller nationale bewegingen’, De Waag, 30 maart 1939.

[9] Wigersma, ‘Ontwikkeling der democratie’, 14 augustus en 4 september 1937. Wigersma, ‘De weg naar een nationale democratie’, De Waag, 12 april 1939.

[10] J. Hessing, ‘Autoritair gezag en volkssoevereiniteit’, 1 mei 1937.

[11] Wigersma, ‘Wat is Democratisch? II Regeering en geregeerden’, De Waag, 30 april 1938.

[12] Wigersma, ‘Wat is Democratisch? II Regeering en geregeerden’, De Waag, 30 april 1938.

[13] Wigersma, ‘Wat is Democratisch? II Regeering en geregeerden’, De Waag, 30 april 1938.

[14] Wigersma, wat is… Regeering en volksvertegenwoordiging, 7 mei

[15] Wiggersma, ‘Wat is Democratisch? IV De keuze der volksvertegenwoordiging, De Waag, 14 mei 1938.

[16] Wiggersma, ‘Wat is Democratisch? IV De keuze der volksvertegenwoordiging, De Waag, 14 mei 1938.

[17] Wiggersma wat is Democratisch? IV De keuze der volksvertegenwoordigers, 14 mei 1938 en V De voorbereiding onzer wetten, 21 mei 1938.




    Geef een reactie

    Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

    WordPress.com logo

    Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

    Twitter-afbeelding

    Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

    Facebook foto

    Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

    Google+ photo

    Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

    Verbinden met %s



%d bloggers op de volgende wijze: