2. Achtergrond

 

De Waag

Terwijl de fascistische massaorganisaties na 1935 in Nederland op hun retour waren, was er eind jaren dertig een herleving van de ‘half-fascistische intellectuele anti-democratisme’. De groepjes concentreerden zich rond tijdschriften en studiekringen. Een van deze groepjes vormden de Waagkringen, geconcentreerd rond het vanaf 1937 verschijnende tijdschrift De Waag.[1] Een tijdschrift dat zich in wilde zette voor de hervorming van het Nederlandse bestuur van de parlementaire naar de gezaghebbende regering. De Waag was volgens A.A. de Jonge, uit journalistiek oogpunt, verreweg het beste blad van alle hele en halffascistische bladen in de jaren ’30.[2]

Zowel de filosofische bagage als de zakelijke leiding was in handen van Baltus Wigersma. De eerste hoofdredacteur was Th. B.F. Hoyer. Uit de administratieve gegevens van De Waag blijkt dan Wigersma in eerste instantie uitging van een oplage van ongeveer 5.000 voor het blad.[3] Als snel bleek het om gemiddeld zo’n 4.000 exemplaren per week te gaan. Financieel had het blad het dan ook niet makkelijk. Het eerste jaar werd het weliswaar gefinancierd door Deterding. Het aantal abonnees zorgde ervoor dat het blad lange tijd afhankelijk bleef van vermogende donateurs. De verschijning was halverwege 1938 uiterst onzeker, althans zo doet Wigersma voorkomen aan de drukkerij: wij hebben ‘generlei zekerheid (…), dat “De Waag” geregeld kan blijven verschijnen. Wel achten wij het waarschijnlijk, dat het voorlopig voor onbepaalde tijd zal kunnen doorgaan. Met het oog daarop kunnen wij dan ook slechts van week tot week U de opdracht geven tot het drukken van het blad. U kunt echter op risico van de Stichting “De Waag” voor 3 maanden het benodigde papier aanschaffen.”[4] De uitgever wild drukkerij wilde eigenlijk de opdracht voor langere tijd boeken, maar Wigersma kon daar niet aan voldoen. Uiteindelijk zou het blad tot het einde van de bezetting blijven bestaan, vanaf 1941 echter onder de vleugels van de Arbeiderspers en Rost van Tonningen.

In de periode voor de bezetting zijn er nogal wat redactionele wisselingen geweest. De eerste redactie verstond uit Th. B.F. Hoyer als eindredacteur en landbouwkundig ingenieur dr. Ir. M.D. Dijt, vriend en adviseur van Deterding, als economische redacteur. In april 1938 werd Luitenant buiten dienst C.C. Küpfer tot nieuwe hoofdredacteur benoemd.[5] Daarnaast bestond er vanaf 1938 een Stichting de Waag (vanaf 1938): bestuursleden uit de ‘antidemocratische hegelianen’ Wigersma, filosoof en professor in Leiden J. Hessing en dr. C. Winkler Prins.[6]. In september 1939 werd er weer een nieuwe redactie samengesteld, omdat de oude, voor een gedeelte bestaande uit hoge militairen buiten dienst, gemobiliseerd werd. Nu maakte Wigersma en Hessing ook deel uit van de redactie en traden onder meer T.Goedewaagen en de jurist en filosoof dr. Carp (tijdens de bezetting adviseur van NSB-leider Mussert).[7]

In het eerste jaargang van de Waag lag de nadruk in het blad veel meer op de Economie en cultuur, dan op de politiek. De economische redacteur van het blad was dr. Ir. M.D. Dijt, een vriend en adviseur van Sir Henri Deterding, de financier van het blad. De man die tevens belast was met de uitvoering van het plan-Deterding. Volgens Dijt moest de economie gebaseerd zijn op goederen en niet op goud. De restrictiepolitiek die gevoerd werd, zorgde volgens Dijt niet alleen voor beperking van de productie. Het was een verwisseling van doel en middel. Winst zo betoogde Dijt, is een middel om de behoefte aan een product te bepalen. Winst was misschien wel het doel van de individuele ondernemer, maar niet van de samenleving als geheel, voor de samenleving is verhoging van de levensstandaard en de productie het doel.[8] Het vrije Nederlandse bedrijfsleven was geknecht door de regering, de economie wordt beheerst door ambtenaren in plaats van producenten. Als een van de oplossingen voor de afzet van meer producten zag Dijt vergroting van de handel Duitsland, het belangrijkste afzetgebied van Nederland. Dit was lastig omdat de Duitsers alleen producten kochten waar het zelf producten kon afzetten. Nederland had, volgens Dijt, dan ook haar nieuwe vliegtuigen niet bij de Amerikanen moeten kopen, waar Nederland al meer van importeerde dan naar exporteerde, maar bij de Duitsers zodat daar weer afname van Nederlandse producten tegenover stond.[9]

Naast economie en politiek, was er veel aandacht voor buitenlandse politiek, in het bijzonder de Spaanse burgeroorlog en de Franse Volksfront regering. Maar ook Italië en natuurlijk Duitsland stonden volop in de belangstelling van het blad. Zeker de eerste anderhalf jaar werd er veel aandacht besteed aan kunst en cultuur. Wekelijks waren er artikelen van Jan Campert over toneel, Jan Engelman over beeldende kunst en A. Van Domburg en Simon Koster over film.[10]

Qua politiek sloot De Waag aan bij de kritiek op de liberale democratie die in veel Europese landen te horen was in de jaren dertig. Het blad wilde bezinnen op de structuur van de Europese en vooral de Nederlandse samenleving. ‘Gedragen wordt het door den wil, tot het bevorderen van nieuwe, uit het oude ontwikkelde en dus noodzakelijk geworden verhoudingen mede te werken.’ Het blad wilde niet in dienst staan van een partij of beweging. ‘Wij zullen streven naar objectiviteit’, maar het blad wilde niet neutraal zijn, want ‘niets is bedenkelijker dan neutraliteit in een tijperk van beslissingen als het tegenwoordige. (….) al die neutralen loopen kans, tusschen de strijdbare partijgangers der slaags geraakten extremismen verpletterd worden.’ Volgen De Waag was de belangrijkste kwestie van de tijd, de ‘verdediging der Christelijke beschaving en Westersche cultuur tegen godloze stofgelovigheid en valsch internationalisme’ en ‘de noodzakelijkheid van nationale eenheid.’ ‘Wie echte organische eenheid wil, erkent hiermede de onmisbaarheid van de verscheidenheid der meeningen om meteen afwijzend te staan tegenover en hard te zijn tegen alles, wat die verscheidenheid ten koste van werkelijke eenheid – zij het misschien onwetend en onbedoeld – teweegbrengt.’ De kritiek richtte zich dan ook primair op de partijendemocratie.

De artikelen in De Waag over democratie kan je opsplitsen in twee types. De theoretische bespiegelingen over wat democratie is en wat het zou moet zijn. Dit waren vaak lange verhandelingen verdeeld over meerdere nummers van het tijdschrift. Het grootste deel van dit soort artikelen kwam van die voor het grootste deel geschreven werden door de Bollandiaan Wigersma. Daarnaast was er de wekelijkse verslaggeving in de ‘Binnenlandse Kroniek’. Hierin werden de actuele politieke ontwikkelingen beschreven en van kritische kanttekeningen voorzien. Deze rubriek werd in de loop der tijd door verschillende (hoofd)redacteuren geschreven. In het bijzonder door C.C. Küpfer en later door Goedewaagen.

In de loop van 1938 was toenemende aandacht voor zaken die met het nationaal-socialisme in verband staan. Zou schreef Wigersma uitvoerig over de ‘joodse kwestie’ en Tobie Goedewaagen hield zich bezig met allerlei plannen voor het opvoeden van jongeren in de ‘Nieuwe orde’ waarin tucht en discipline centraal kwamen te staan.

Filosoof Bolland

G.J.H Bolland (Foto: KB)Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland (1854-1922) had zich, na een mislukte militaire opleiding, als autodidact tot hoogleraar in de in Leiden. Na diverse filosofische omzwervingen kwam hij bij Hegel. Bolland zorgde voor een herleving van de filosofie van Hegel in Nederland (eerder dan in Duitsland). Door tijdgenoten werd hij beschreven als een ‘demonische figuur, die zijn leerlingen ongekend in zijn van wist te brengen.’ En dat waren er velen ‘waarschijnlijk heeft nooit een docent in de wijsbegeerte in Nederland zo lange tijd zo talrijke toehoorders getrokken als hij.’[11]

Bolland begaf zich op vele terreinen van de filosofie en ook op het gebied van de staatkunde had hij bijzonder stellige opvattingen. Niet dat hij een alternatieve staatkunde ontwikkelde, maar hij stelde zich krachtig op tegen de ‘geest van de democratie’ en de gelijkheid die hij verfoeide. Hij had een grote afkeer van socialisme en iedere vorm van sociale politiek. [12]

In 1909 schreef hij Boek der Spreuken, een reeks aforismen waarvan verschillenden zich richten tegen het parlementarisme, democraten, algemeen stemrecht, maar Bollands als antidemocraat berust vooral op de laatste lezingenreeks Teekenen des Tijds (1921), waarin hij zich keerde tegen de vrijheid van drukpers en vergadering. Een sterke verachting van de arbeidersklasse die een volk van minderwaardigen, arm aan volkszin en enig nationaal plichtsgevoel en zoveel mogelijk teert op anderen. De democratie was volgens Bolland de ‘heerschappij der menigte’ die geen grote mannen maar onbekwame beunhazen en praatjesmakers aan het bewind helpt, die de gewone man naar de mond praten. De schuld voor de toestand der democratie gaf Bolland in het bijzonder aan de vrijmetselarij en het internationale jodendom. In deze uiterst antisemitische toespraken probeerde Bolland met citaten uit het Oude Testament aan te tonen dat joden verplicht waren tegen niet-joden gebruik te maken van list en bedrog. Joden vormden volgens de filosoof een vreemd element in de Europese samenleving en bovendien een ‘ontwrichtend en ontbindend element’.[13] “Mij althans doen de teekenen des tijds eene kwade toekomst voorzien, waarin het democratische droombeeld van mensheidsgeluk door heerschappij de minderwaardigheden zal geworden zijn tot eene voor allen zicht- en tastbare ongerijmdheid, zonder dat toch die overmacht der minderwaardigheden zich laat afschaffen. Geestelooze en grove uitwendigheid van technologische beschaving mag eene lange wijle nog voortduren; het Europeesche westen heeft zijn besten tijd gehad.’[14]

Volgens A.A. de Jonge was Bolland echter niet de stamvader ‘par excellence’ van het Nederlandse fascisme: (1) Bij Bolland ontbreekt het toepassen van moderne organisatiemethoden. Om fascist te zijn moet je de massa niet slechts verachten, maar ook bereid zijn de massa te organiseren voor reactionaire doeleinden. (2) Bolland is een volslagen pessimist en ziet de democratisering als een niet te keren noodlot. (De offensieve geest van ‘de nieuwe tijd’ ontbreekt bij hem volledig). Op een punt juist wel: antisemitisme.[15]

NSB en Wigersma

De volgelingen van Bolland zouden wel een belangrijke rol gaan spelen bij de uitwerkingen van de beginselen van de Nationaal Socialistische Beweging van Anton Mussert. Zowel de hoofdredacteur van Volk en Vaderland, S.A. van Lunteren, prof. J. Hessing (van 1932-1944 bijzondere leerstoel in Leiden van het Bolland-genootschap) en B. Wigersma bemoeide zich met de staatkundige opvattingen van de NSB.[16] Die NSB wilde ‘nationale eenheid’ tot stand brengen en een nieuwe orde opbouwen waarin het algemeen belang voorop staat, met een krachtig staatsbestuur, dat zich dient te gedragen als een ‘goede vader’.[17] Individu is pas een ethisch wezen door mee te werken aan de opbouw van de staat.[18] De nationaal-socialisten stelden ‘ tegenover de verouderde leuze van de klassenstrijd, de moderne eis van solidariteit tussen alle klassen van de bevolking.’ ”[19]

Een van de belangrijkste volgelingen van Bolland was Ir. Baltus Wigersma, die later een leidende rol zou gaan spelen bij het tijdschrift De Waag. Na de dood van Bolland in 1921 relativeerde Wigersma in een necrologie het antidemocratische element. “Bolland bestreed niet de democratie als zodanig, maar wilde slechts hameren, dat alles, ook de democratie, naast een goede ook een kwade kant heeft; hij moest echter vooral op de kwade kan wijzen, omdat hij in een tijd leefde waarin juist die kan meer en meer naar voor kwam.”[20] In deze necrologie verdedigde Wigersma ook het antisemitisme van Bolland. Hoewel er volgens Wigersma talloze ‘edele en achtbare’ joden waren, stelde hij het door hem verafschuwde marxisme gelijk aan de ‘joodse geest’. ‘De onbehoorlijke drukte waarmede Bollands uitspraken van Joodsche zijde zijn ontvangen, kunnen wel als bewijs gelden hoe raak hij had geslagen en hoe kwetsbaar ’t jodendom is’.[21]

In de jaren daarna bleek dat ook Wigersma de parlementaire democratie zou gaan verwerpen. 1933 publiceerde Wigersma Parlementarisme en dictatuur, waarin hij de partijenstaat niet volledig afwees, die is hoger ontwikkeld dan de standenstaat, maar zodra deze zich geconsolideerd heeft, ondergaat die ‘een proces van ontaarding’: het doel van de democratische partijenstaat – het doorbreken van de standenmaatschappij en regeringsfuncties toegankelijk maken voor de meest bekwame personen – wordt niet bereikt, omdat de gevestigde partijen het lidmaatschap van de vertegenwoordigende organen niet meer aan de braafste en volgzaamste partijleden geven. Toch was Wigersma niet voor definitieve afschaffing. Partijen belichamen bepaalde idealen waarnaar burgers ter verbetering van de steeds onvolmaakte staat naar streven en moeten streven. Daarom koos hij voor een tweepartijenstaat waarin twee tegengestelde wereldbeschouwingen zich zouden groeperen. Door afwisseling van de macht verzekeren zij een gezond functioneren van de staat (actie en reactie) en beschermen zij voor eenzijdigheid.[22] De onbeheerste partijvorming leidt echter tot compromissen, waarvoor geen enkele partij echt verantwoordelijk te houden is. Wigersma achtte een dictatuur in de geest van Mussolini als goede overgangstoestand.[23]

Een jaar later trad Wigersma toe tot de NSB en schreef hij Het wezen der fascisme waarin hij de definitieve stap naar fascisme gezet heeft. In dit boek is de positieve waardering voor het partijwezen geheel verdwenen. Hij wil nog wel een overgangsfase (met onderdrukking van de vrijheid) maar het instituut van de leider als ware machthebber is niet tijdelijk maar permanent. Wel achtte hij een parlement onmisbaar, dat over alle wetsvoorstellen gehoord zal worden, de leider is verantwoording aan de natie en de koning verplicht. Het parlement wordt opgesteld aan de hand van een lijst samengesteld door een ‘Hoog college’ (ook met enkele opposanten). Stemmen met ja en nee.[24] ‘Hij verwijt het liberalisme de door milieu en ras bepaalde verschillen tussen de burgers miskend te hebben, met als gevolg, dat thans de joden een onevenredig grote invloed in Nederland hebben gekregen.’ Zij kunnen alleen gelijkwaardige burgers zijn wanneer zij assimileren.[25] Zijn latere artikelen in De Waag zouden in dezelfde trant geschreven worden. In 1935 verliet Wigersma de NSB.

Lees verder: Hoofdstuk 3. Een gezaghebbende regering geworteld in het volksorganisme

 


[1] A.A. de Jonge, Crisis en Critiek, 308.

[2] A.A. de Jonge, Cr. 316.

[3] Afschrift contract met Enschede en Zonen, Grafische inrichting Haarlem, afdeling Drukkerij. 28 december 1936. Archief de Waag, U7a.

[4] Brief Enschede en zonen, aan Administratie van de Waag, 16 juni 1938, in U7a.

[5] A.A. de Jonge, Crisis, 315

[6] A.A. de Jonge, Crisis, 316-317.

[7] Crisis, 325.

[8] De Waag, 1, 16 januari 1937. Economie en financiën. Geef ons heden ondd dagelijksch brood…

[9] De Waag, 23 januari 1937.

[10] A.A. de Jonge, Crisis, 316

[11] A.A. de Jonge, Crisis en critiek, 46.

[12] Idem, 46-48.

[13] Idem, 47-49

[14] Idem, 49.

[15] Idem, 50.

[16] R. Havenaar, De NSB tussen nationalisme en “volkse” solidariteit : de vooroorlogse ideologie van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (Den Haag 1983) 35-36.

[17] Havenaar, NSB, 35.

[18] Idem, 36.

[19] Geciteerd in: Havenaar, NSB, 39.

[20] A.A. de Jonge, Crisis en critiek, 50-51

[21] Idem.

[22] Idem, 216-17.

[23] Idem, 217-218.

[24] A.A. de Jonge, Crisis en critiek, 218-220.

[25] A.A. de Jonge, Crisis en critiek, 220-221.




    Geef een reactie

    Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

    WordPress.com logo

    Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

    Twitter-afbeelding

    Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

    Facebook foto

    Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

    Google+ photo

    Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

    Verbinden met %s



%d bloggers op de volgende wijze: